De Belastingdienst rekent een vast percentage van uw grondslag sparen en beleggen als uw voordeel in box 3. Uw grondslag sparen en beleggen is de waarde van uw vermogen (bezittingen min schulden) op 1 januari, na aftrek van het heffingsvrij vermogen. Uw schulden worden verlaagd met een drempel. Uw voordeel vermindert u met uw persoonsgebonden aftrek als u daarvoor in box 1 te weinig inkomsten hebt. Wat overblijft is uw belastbaar inkomen in box 3.

Bezittingen zijn o.a.:

  • Spaargeld;
  • Aandelen:
  • Tweede woning.

Voor iedereen geldt in box 3 een heffingsvrij vermogen. Is uw vermogen niet hoger dan uw heffingsvrij vermogen? Dan hebt u geen voordeel uit sparen en beleggen en hoeft u geen belasting te betalen in box 3. Is uw vermogen wel hoger? Dan telt alleen het deel erboven mee voor de berekening van de belasting in box 3.

Over een fictief rendement van 4% uit sparen en beleggen betaalt u 30% belasting. U betaalt dus 4% x 30% = 1,2% belasting over uw vermogen.

U hoeft de werkelijke inkomsten, bijvoorbeeld de rente op uw spaargeld, het dividend op uw aandelen of de huuropbrengst, niet aan te geven. Uw kosten, zoals betaalde rente, mag u niet aftrekken.